Er zijn zinnen die een gesprek openen. En er zijn zinnen die vooral doen alsof. “Ik vind daar iets van” of “ik vind daar wat van” is er zo één. De natte scheet onder de gezegden.
Je hoort ’m vaak net na een stilte die nét iets te lang duurt om nog comfortabel te zijn. Iemand leunt iets naar voren, zet een bedachtzame blik op, alsof er zojuist iets wezenlijks is ingedaald, en zegt dan: “Ja, ik vind daar wel wat van…”
Een aankondiging zonder aflevering.
Het knappe is: de zin klinkt als het begin van een mening, maar blijkt in de praktijk vaak het einde ervan. Een trailer zonder film.
‘Heb je het gehoord van Henk en Marieke? Twee weken uit elkaar en hij heeft al een ander.’ Aan tafel valt een korte stilte. Dan: “Nou, ik vind daar wel wat van…”
Oké. Kom maar door.
“Nou ja… ik vind het gewoon… ja.”
Precies.
Of die meeting waarin iemand voorstelt om het personeelsbudget te halveren en “meer organisch te gaan groeien”. Iedereen kijkt elkaar aan, iemand schuift z’n laptop een paar centimeter dicht en zegt: “Ik vind daar wel wat van…”
En dan volgt een zin die begint met “Nou…” en eindigt ergens halverwege de gedachte.
Of op die verjaardag, rond een tafel met hummus die zijn beste tijd gehad heeft. Iemand zegt dat Dirk naar Portugal gaat verhuizen “voor de rust” om daar z’n burn-out uit te zitten. Er wordt geknikt. Dan, toch iemand onvermijdelijk: “Ja, ik vind daar toch wel wat van…”
En iedereen weet: dit gaat nergens heen.
Het mooie is dat de zin vooral wordt gebruikt door mensen die graag willen laten zien dat ze ergens iets van vinden. Je herkent ze meteen. Gembertheedrinkers. Het type dat een mok vasthoudt alsof er een morele overtuiging in opgelost zit. Licht voorovergebogen, aandachtig knikkend, zorgvuldig nonchalant gekleed. Altijd een tikje maatschappelijk geëngageerd, vaak net links van het midden, en vooral: zichtbaar bezig met zichtbaar zijn.
“Ik vind daar wat van.”
Wat ze eigenlijk zeggen: let even op mij. Ik heb hier mogelijk een mening over. Wat ze níét doen, is die mening ook echt duiden. En daar hebben we in het Nederlands een prachtig woord voor: onbeduidend. Veel vorm, weinig inhoud. Aanwezigheid zonder gewicht.
Het is daarmee het laffe zusje van “nou, ik zeg maar even niks”. Alleen dan verpakt als daadkracht.
Probeer het eens, puur voor de sport. Vraag door.
“Wat vind je er dan van?”
De kans is groot dat je een antwoord krijgt dat begint met “Nou…” en vervolgens uitwaaiert tot iets wat klinkt als een mening, maar nergens op vast te pinnen is. Veel woorden, weinig richting.
En dat is ergens ook wel begrijpelijk. Een echte mening is risicovol. Je kunt erop aangesproken worden. Je kunt ongelijk krijgen. Dus is er die comfortabele tussenruimte ontstaan: wel de suggestie van een standpunt, niet de verplichting ervan.
Positioneren zonder positie. De perfecte bijzin. Een sociaal kussentje. Iets wat je neerlegt als het gesprek net iets te hard dreigt te worden.
Maar stel je voor hoe verfrissend het zou zijn als iemand na “ik vind daar dus iets van” ineens echt iets zegt. Iets concreets. Iets scherps. Iets waar je het mee oneens mag zijn.
Dus, een bescheiden voorstel.
Word geen ‘onbeduidend’ type.
Als je ergens iets van vindt, zeg het dan ook. En als je dat eng vindt, zeg dan niets. Want meestal zegt het meer als je niets zegt dan dat ene woordje ‘iets’.